Het christelijk onderwijs
Het geestelijke verval in de Ned. Hervormde Kerk heeft de basis gelegd voor het christelijk onderwijs.
De eerste school
Toen de Malgaïaanse orthodoxe hervormde groep het openbaar onderwijs de rug toe keerde moest er uiteraard zelf gezocht worden naar een apart onderkomen. Van de rentenier Abel Berends Aeilkema werd in 1867 het huis en erf ter grootte van 1.150 are aangekocht voor f 1000,-.
Dit huis stond op dezelfde plaats waar tot de laatste nieuwbouw aan de Tonnistil, de "oude school" was gelegen.
Het was een klein boerderijtje waarvan waarschijnlijk de schuur werd verbouwd tot school en het woongedeelte tot schoolmeesterswoning diende. Zeventien jaar werd hierin onderwijs gegeven.
Het oudst bewaard gebleven notulenverslag dateert vanaf 14 april 1879 - 11 jaar na de oprichting van de "Vereniging voor Christelijk Nationaal School Onderwijs".
Het oude archief en de notulen vormen de basis van het onderzoek naar de geschiedenis van de school. Het zijn echter geen spectaculaire zaken die duidelijk in het oog springen. Het zijn de verontruste hervormden die in 1867 een eigen school stichten.
Het eerste bestuur dat in 1867 aantrad bevat de namen, die wij 21 jaar later tijdens de Doleantie van Wagenboren (9-1 1-1888) weer tegenkomen, t.w. Jac. v.d. Laan, voorzitter; H. Klatter, secretaris; E.F. Malga, penningmeester; G.N. Takens, J. Kamp, en W. Brons leden. Malga is tevens vice-president.
De dag daarna (15 april 1879) wordt de instructie in een contract vastgesteld en ondertekend door de hoofdonderwijzer Christiaan Goldschmidt. In diezelfde vergadering wordt al gesproken over een bewaarschool waarvoor de meester tuingrond moest afstaan waarop het gebouw zal worden gesticht. Zover is het echter nog lang niet; meer dan een halve eeuw later wordt pas de bewaar (fröbel) school gerealiseerd.
In 1982 bij de stichting van de huidige school, werd de naam "de Blinke" aan de school verbonden.
De betekenis van deze naam vindt zijn oorsprong in vroeger tijden, toen overstromingen in ons gebied nabij de zee (de Dollard) vaak voorkwamen. De naam betekent "vluchtplaats" voor mens en vee in tijden van hoog water. Deze naam zou ook 125 jaar geleden al kunnen gelden.
De hervormden van 1867 zochten eveneens voor hun kinderen een vluchtplaats, weg van het openbaar onderwijs. Alhoewel toen en daar weliswaar nog christelijke waarden en normen werden gehanteerd vond de verontruste hervormde groep het toch wenselijk een aparte school te stichten waar dagelijks met de geopende bijbel Gods woord in de schoollokalen weerklonk.
De hervormde uit Twente afkomstige predikant ds. Gerrit Jan Antink die van 1877 1880 de gemeente diende werd contribuant van de school voor f 10,- per jaar. Zijn echtgenote droeg wekelijks 10 cent bij voor het suppletiefonds.
Uit de notulen van 19 augustus 1879 blijkt dat het bestuur bestaat uit leden die zich tijdens het predikantschap van ds. E. van der Pers, hebben verenigd in een vrije gemeente onder leiding van de evangelist Malga.
Deze "afgescheiden" hervormden, voegden zich later na het emeritaat van Van der Pers weer bij de hervormde gemeente. Een afscheiding, zoals die zich in 1814 voltrok onder leiding van Ds. H. Cock uit Ulrum, heeft in Wagenborgen niet plaatsgevonden.
De school was vanaf 1867 dus een zaak van de hervormden. Het schoolbestuurslid J. Brons moest in 1880 plaatsmaken voor het bestuurslidmaatschap van de vrije gemeente die onder de naam van Vereniging voor Evangelisatie bekend stond. Zijn collega
Kamp vreesde voor de "ontbinding van het christelijk onderwijs" als J. Brons aanblijft. Tot 1888 bleef deze situatie bestaan toen zich de Doleantie voltrok.
Verondersteld mag worden dat ná 1888 de leerlingen van de christelijke nationaleschool alhier voor 80% werd bevolkt door de kinderen van de dolerende (gereformeerde) gezinnen en voor 20% van de orthodox-hervormden.
Dit percentage is tot de 60-er jaren van deze eeuw ongeveer constant zo gebleven. Voor het jubileumjaar 1992 geven wij de absolute cijfers bij een leerlingenaantal van 127: Gereformeerden 67, Nederlands Hervormden 33, Pinkster- en Baptistengemeenten 10, Rooms-Katholiek 7, Buitenkerkelijken 10. Totaal 127.
Na de doleantie, toen hervormden en gereformeerden - wij constateren dat met enige schroom - toch op een wat gespannen voet met elkaar omgingen, is toch steeds gekozen voor een gemengd bestuur van gereformeerden en hervormden. In het dagelijks
bestuur zijn vanaf die kerkelijke strijd toch altijd hervormde leden opgenomen.
Water is in de christelijke belevingswereld altijd belangrijk geweest. In de vorige en ook nog in deze eeuw werd de school aangeduid met "Rehoboth". In Genesis 26 wordt ons de geschiedenis verhaald van de weer opengelegde door de knechten van Abraham gegraven putten, die door de Filistijnen waren gedempt. In het dal van Gerar werden de putten teruggevonden en men gaf ze weer de namen die Abraham ze had gegeven, nl. Esek, Sitna en Rehoboth, hetgeen betekent de Heere heeft ruimte gemaakt. De Heere heeft eveneens ruimte gemaakt voor het christelijk onderwijs te Wagenborgen.
Het "levende water" uit de waterput, de bron - Gods woord - werd en wordt nog steeds verkondigd in de school. Nog tijdens het 70-jarig jubileum in 1937 werd de school nog aangeduid als "Rehoboth". Allengs is deze naam in het vergeetboek geraakt. Bij dit jubileum werd een gedicht geschreven, waarin nog de naam Rehoboth voorkomt. De dichter is de heer Magendans.
Daar is de schone juli maand;
Geschenk van God den Heer.
Natuur vertoont haar volle pracht,
Wat ademt, leef den Heer!
Wij zingen en wij bidden mee
In 's Heren Jezus naam;
En danktoon en gebed omvang
De aard en hemel saam.
Och, Here, hoor ons smeekgebed
Gij die op worm en mussen let,
Wij knielen ned'rig voor U neer
Och spreek nu ook Uw "amen" Heer.
Gij hebt nu zeventig jaren weer
De school gespaard, o Heer,
En op deez vreugdevolle dag
Juicht alles U ter eer.
Wij dragen Rehobôth U op,
Houdt gij getrouw de wacht:
Rehohôth meld' Uw liefd'en zorg
In 't verste nagegeslacht.
Och, Here, hoor ons smeekgebed
Gij, die op worm en mussen let,
Wij knielen ned'rig voor U neer
Och spreek nu ook Uw "amen" Heer.
O, God, zend rijke zegen neer
Rehoboth zij Uw hof,
Die Gij met Uwen Geest doorwaait
Opdat er tot Uw lof
Een wortel zij er vrucht van 't Woord
In 't kinderhart gezaaid.
Zo word' hier voor Uw Koninkrijk
De schoonste vrucht gemaaid,
Och., Here, hoor ons smeekgebed
Gij, die op worm en mussen let,
Wij knielen ned'rig voor U neer
Och spreek nu ook Uw "amen" Heer.
Schoolgebouwen
Nadat de eerste school uit 1867 in 1884 werd vervangen door het eerste echte schoolgebouw, werd al vanaf 1908 binnen het bestuur gediscussieerd over nieuwbouw.
Er wordt getracht een bedrag los te krijgen bij de welgestelde mevrouw Fabricius uit Slijk-Ewijk in Gelderland. In dit dorp is meester Magendans' broer gereformeerd predikant. Op zijn reizen naar het Gelderse zal Magendans eveneens gaan naar mevrouw E. te Vorden. Deze mevrouw heeft ook de Vereniging T.C.L. aan de ontbrekende financiën geholpenvoor de bouw van een paviljoen van de inrichting.
De heren Bennema van Nieuw Scheemda en C. Hamster van de Finsterwolderpolder worden gevraagd om steun. Bennema eist recht van 1e hypotheek, wordt door het bestuur geweigerd en voorgesteld wordt het geld "op obligatie" te doen. Lange meerdaagse
reizen worden ondernomen naar o.a. Friesland/Bolsward, Rinsumageest en het Hollandse (o.a. Vinkeveen).
Collectant is de heer v.d. Laan voor f. l ,- per dag. Hij moet daarvoor o.a. naar Delfzijl, Bierum, Spijk, Uithuizen, Oostwold, Bedum en Stedum. Zijn opvolger is de heer Bos, die naast f 1,- dagvergoeding nog vrije reis- en verblijfkosten en 2% van de netto-opbrengst ontvangt.
Er worden voor de grotere plaatsen op afstand een advertentie in "de Standaard" geplaatst dat de collectant in aantocht is om "bij vrienden van het Christelijk Onderwijs" te collecteren.
De Christelijke Jongelingsvereniging "Rehoboth" zal 800 gedrukte circulaires aan jongelingsverenigingen verzenden. Het bestuur is daarvoor zeer erkentelijk. Meester Huisman doet in 1902 verslag van zijn collectereis. Opbrengst f 65,50.
Rekening en verantwoording over 1907
Uitgaven f 2.490,46; Inkomsten f 2.361,19. Tekort f 129,27.
Het jaartekort wordt veelal tijdelijk door bestuursleden aangevuld. De obligatie van wed. Volhand-Mensinga wordt geschonken. In 1908 is een bedrag van f 1.000,- à 4% rente voor de schoolkas opgenomen van de heer Bernard Bos om de onderwijzers te kunnen betalen. Deze worden per kwartaal betaald. Met ingang van oktober 1903 maandelijks.
In 1914 wordt door timmerman S. Akkerman een tekening en begroting gemaakt. Een grondige verbouwing van de bestaande school (1884) kost eenzelfde bedrag.
In 1917 is een apart schoolfonds gevormd waarin de baten van collectes, giften en bijdragen worden gestort. Hieruit is reeds een bedrag van f 1.000,- genomen voor noodzakelijk geworden reparatie en voor de aflossing van een schuld op de oude school.
Dat het gebouw in slechte staat verkeert vertelt ons een oud-leerlinge en de latere handwerkjuffrouw Aaltje Woldhuis:
"Als het regende moesten er in de lokalen emmers en schalen geplaatst worden om het regenwater op te vangen. De banken werden in een droge hoek van het lokaal bij elkaar geschoven."
Getwijfeld werd of er een gebouw moest komen met 3 of 4 lokalen.
Bij tijd en wijle steekt het bestuur ook hand in eigen boezem:
"'t wordt er al niet beter op; 't schijnt, dat we erg materialistisch geworden zijn en dat daardoor het geloof op de achtergrond is geraakt."
In 1911 bezoeken 125 leerlingen de school en het Rijksschooltoezicht dringt aan op nieuwbouw.
Akkerman maakt 3 varianten voor de nieuwbouw, t.w. een school met
* 3 lokalen aan elkaar en een gang aan de noordzijde en te bouwen aan de oude school (meester Huisman verliest een gedeelte van zijn achterhuis), kosten f 3.000,-;
* een school met een ingang aan de kant van de grindweg, f 2.700,-. (N.B. de hoofdtoegangsdeur van de oude school was gesitueerd aan de kant van het laantje van bakker Akkerman naar T.C.L.);
* een geheel nieuwe school met 4 lokalen (kosten f 4.000,-) en gesitueerd op het buitenterrein van het schoolhuis.
Het bestuur van de Hulpvereniging zal hierover worden geraadpleegd.
Er wordt prijsopgave gevraagd door Akkerman voor levering van stenen bij de Fa. Hamster en Rozeboom te Scheemda.
Er zijn volgens berekening plm. 80.000 stenen nodig.
20.000 1e klas mondklinker à f 11 ,- per 1000
40.000 1e klas grauwe klinker à f l5,25 per 1000
15 .000 mondklinker à f 14,25 per 1000
4.000 klinker à f 18,75 per 1000
De plaatselijke aannemers Bult, Zomerman, Kuipers en Hemmes zullen het hout, cement, kalk en pannen leveren.
In 1915 vraagt schoolopziener Wirtz te Appingedam wanneer de nieuwe school in gebruik kan worden genomen. Antwoord: waarschijnlijk op 1 juni 1916.
Het bestuur besluit in de 2e helft van 1915 definitief dat de nieuwbouw wegens oorlogsomstandigheden (1e wereldoorlog) en de duurte van de materialen wordt uitgesteld. Het bedrag van het schoolnieuwbouwfonds wordt op rente gezet.
Nu nieuwbouw op een zijspoor is gezet wordt besloten een verbouwing van de bestaande school door te voeren, kosten voor noodzakelijk herstel f 200,-, te financieren uit het "fonds schoolbouw". Het bedrag zal binnen 2 á 3 jaar weer worden teruggestort.
In 1919 komt de nieuwbouw weer aan de orde.
Bouw "School met den Bijbel" (1921)
De oude school, daterende uit 1884 was zodanig vervallen en voldeed niet meer aan de eisen van de tijd en van het onder wijs dat het bestuur besloot de school te vervangen door nieuwbouw.
De Lager Onderwijswet van 1920 maakte het mogelijk dat de financiering daarvan voor rekening van de burgerlijke gemeente Termunten kwam.
De notulen vermelden spaarzaam mededelingen over de nieuwbouw.
Uit een verzoek aan de gemeenteraad wordt ons duidelijk dat de bouwkosten f 46.231,- bedroegen. Voor de verwarming, meubilair en kosten van eerste inrichting werd een bedrag geraamd van f 15.750,-.
De aannemer was de heer J. Oterdoom van Appingedam.
Volgens overlevering was de zomer van 1921 zo droog, dat tijdens de bouw, het water voor de metselspecie gehaald moest worden uit de Stinkvaart op zo'n 500 meter afstand van de bouwplaats.
De Fa. Miske, meubelmaker te Loppersum maakt 72 schoolbanken á f 20,- per stuk inclusief een porceleinen inktpot. Bij dit bedrijf worden ook de schoolborden besteld á f 250,- per lokaal. Op de achterkant moesten notenbalken worden aangebracht.
Tijdens de bouw wordt lesgegeven in de schuur van de Familie Koop en in de consistoriekamer van de Gereformeerde Kerk.
Bij de opening wordt een feestavond gehouden in het gebouw voor Christelijke belangen.
In de Nieuwe Provinciaale Groninger Courant, het dagblad voor de gereformeerde gezindte, is een artikel opgenomen met de volgende inhoud:
Wagenborgen. 3 December 1921.
Gisteren. 3 December: is hier de nieuwe Christelijke school geopend. Met veel animo had s 'middags het kinderfeest plaats. De lokalen waren geheel gevuld en alle plaatsen door de kinderen bezet. De ouders maakten gretig gebruik het gebouw te bezichtigen. Nu dat mag zich laten zien. Een degelijk. gebouw dat ontwerper en uitvoerder alle eer aandoet. De school is tevens goed voorzien
van de meest moderne leermiddelen.
's Avonds werd door ouders, oud-leerlingen en beluagstellenden het feest voortgezet in het lokaal voor Christelijke Belangen. Voor een volle zaal werd door verschillende autoriteiten het woord gevoerd, o.a. door den heer Inspecteur van het Lager 0nderwijs en den heer Inspecteur van het Christelijk Nationaal Schoolonderwijs. de wethouder der gemeente en de aannemer den heer J. Oterdoom. Allen uitten hun beste wenschen voor de nieuwe school en wezen op samenwerking van bestuur, ouders en personeel. Heel gezellig werd daarna de avond doorgebracht, waarbij ondercheidene sprekers nog het woord voerden.
Eindelijk werd door den voorzitter: den heer W.K. H. Magendans, school, personeel, ouders en kinderen den Heere God eerbiedìg opgedragen, waarna ieder zijns weegs ging. Zegene onze God het Christelijk Onderwijs hier en alom.
Oude materialen opnieuw gebruikt
Voor de tot standkoming van het gebouw voor Christelijke Belangen (1923) aan het Zandpad, werd door diverse kerkelijke en met de school verbonden verenigingen gebruikt gemaakt van de school.
Zang, jongelings- en meisjesverenigingen en bv. de bijeenkomsten van de Christelijke werkliedenverenigingen "Patrimonium" (gesticht in 1876 te Amsterdam, door een medewerker van dr Kuyper, nl. Klaas Kater), maakten hiervan gebruik. Als in 1921 de oude school wordt afgebroken, worden de nog bruikbare materialen aangewend voor de bouw van het verenigingsgebouw, die ook de naam "Rehoboth" meekreeg.
Voordien werd de lagere school eveneens "Rehoboth" genoemd.
Deze vergaderaccomodatie werd gesticht op een terrein, waar voorheen het boerderijtje van Wessel Dallinga stond en later het winkeltje van Piet Boer. Ten noorden van "Rehoboth" zien in 1928 de nieuwe Gereformeerde Kerk verrijzen.
De nieuwe onderwijzerswoning
In 1936 werd een bestek gemaakt voor de nieuwe dienstwoning voor het hoofd der school. Tekening en bestek zijn gemaakt door Architect F. van der Laan te Delfzijl.
De aannemers schrijven in op dit werk op dinsdag 26 mei 1936.
Er zijn 27 bedrijven die op het werk inschrijven, waaronder de volgende Wagenborger aannemers:
W. Akkerman f 2.750,-, H. Beukema f 2.763,- en R. Zomerman f 2.597,-.
Het werk wordt gegund aan de laagste inschrijvers, de heer E. van der Molen te Delfzijl en J. de Jong te Meedhuizen voor de som van f 2.396,-.
De eerste Christelijke school (1884)
Tot zelfs in Amsterdam, Friesland en Dordrecht (waar een zoon van bestuurslid Kamp onderwijzer was) wordt gecollecteerd voor de bouw van een nieuwe school.
Hieruit blijkt dat geen rijks- of gemeentesubsidie wordt verstrekt.
De toekomstige "kleine luijden" - zoals Abraham Kuijper zijn aanhangers noemde - staan voor de bijna onmogelijke taak met dubbeltjes en kwartjes de bouwsom bij elkaar te sprokkelen. Voorwaar geen kleinigheid, doch met een groot Godsvertrouwen
gaan zij door met collecteren.
Ook Ds. Rutgers, hervormd predikant tot 1881 wordt ingeschakeld. Hij gaat akkoord met het voorstel om Engels en Brons als kerkeraadsleden naar Amsterdam, Rotterdam en Utrecht te laten gaan. Vooraf wordt in "de Standaard" geadverteerd dat
de Wagenborgers in de steden komen collecteren.
Ook Winschoten en de Veenkoloniën worden bezocht. De heer J. Brons wordt tijdens de bouw aangesteld als opzichter voor een bedrag ineens van f 150,-. Zoals in die tijd gebruikelijk was zal in de muur van de nieuwe school een gedenksteen worden
gemetseld. O.m. kwam op die steen de naam voor van Ds. Antink, die inmiddels naar Oostermeer (Friesland) was vertrokken. Hij was de man die als hervormd predikant zich inzette voor het bevorderen van het christelijk onderwijs.
Nadat de eerste hoofdonderwijzer Van Steendelaar in 1873 weer naar zijn geboortestreek was vertrokken werd hij opgevolgd door Carl Friedrich Christiaan Bösecke uit Amsterdam. Deze Bösecke was erbij toen in 1873 de statuten werden ondertekend waarbij de Vereniging tot Christelijke Liefdadigheid (TCL) tot stand kwam. Ook kwamen we daar weer enige namen tegen die in kerk en school een belangrijke rol speelden.
Hoofdonderwijzers
De heer Bösecke werd het 2e schoolhoofd van 1873-1879. Hij werd opgevolgd door Christiaan Goldschmidt.
Na het vertrek van Goldschmidt wordt er een nieuw hoofd benoemd uit een totaal van 33 sollicitanten. Er wordt een 6-tal opgemaakt waaruit de heer A. Pilon te Loppersum met algemene stemmen wordt benoemd. Pilon bedankt. Uit een voordracht van de heren Reinders, Dussel en Star wordt de heer Reinders te Appingedam met algemene stemmen benoemd en aanvaard hij zijn functie van hoofdonderwijzer per 1-10-1893. Meester Kamp is in die tijd klasseonderwijzer. Hij verlaat het onderwijs en heeft een boekhandel geopend. Hij vraagt om leverantie van leermiddelen tegen concurrerende prijzen.
Op 1 januari 1895 stijgt het aantal leerlingen. Het bestuur acht het niet gewenst dat het aantal leerlingen boven 91 stijgt. Er moet dan een 3e onderwijzer worden benoemd. Daarvoor ontbreken de financiën. Besloten wordt de kinderen uit Siddeburen en Nieuwolda niet langer toe te laten tot de school.
In 1884 wordt het "sukkelen" v.w.b. de benoeming van een hoofdonderwijzer. Bijna wekelijks komt het bestuur onder leiding van voorzitter J. van der Laan bijeen om de vakature te bespreken.
Ds. Antink - tot 1880 Nederlands hervormd predikant en nu dominee in Friesland zou wel een onderwijzer weten die van standplaats wil verwisselen. Meester Kolbeek uit Hoogkeppel wordt benoemd. Op een tractament van f 800,- per jaar. Hij bedankt.
Meester Wijmenga uit Ferwerd wordt benoemd en neemt zijn benoeming niet aan. Daarna wordt getracht een waarnemer te krijgen. Er wordt in de krant van Dr. Abraham Kuyper - de Standaard - een oproep geplaatst. Niet gelukt.
Ds. Antink wijst het bestuur op de heer Magendans uit Minnertsga. Men gaat naar Friesland en bezoekt Magendans. Tegen alle verwachting in bedankt hij.
Tijdens de bestuursvergadering van 3 januari 1889 wordt besloten Magendans voor de 2e keer te vragen, nadat eerst "een stil gebed tot God is opgezonden, opdat Hij allen in deze donkere wegen licht mag zenden."
Bij de opening van de voorkeursbriefjes blijkt dat voor de 2e keer de heer Magendans wordt benoemd tot hoofdonderwijzer. Hij is dan nog van de orthodoxe richting in de Hervormde Kerk en niet overgegaannaar de Gereformeerde Kerk van de afscheidingsbeweging van 1834. Het bestuur ziet hierin "de wil des Heren".
In de notulen van 3 januari 1884 wordt in een laatste zin toegevoegd dat Magendans de benoeming heeft aangenomen.
Magendans is geen Fries van geboorte doch is afkomstig uit Gelderland. Bij zijn komst wordt het voltallig bestuur en ds. Rutgers door de familie uitgenodigd voor een maaltijd.
Het bestuur heeft bij de slager "een groot stuk vleesch" besteld. De maaltijd wordt bereid door de dames van de bestuursleden.
's Avonds om 8 uur brengen de schoolkinderen een zanggroet aan de nieuwe meester.
In 1893 is meester Magendans directeur geworden van de Huizen van Barmhartigheid "Vereniging tot Christelijke Liefdadigheid" te Wagenborgen. Hij wordt in 1895 secretaris van het schoolbestuur. Bestuurslid Engels is van oordeel dat Magendans niet wettig is verkozen. De heer Engels probeert het bestuur te overtuigen om Magendans ontslag te laten nemen. Dit wordt door de rest van het bestuur niet geaccepteerd. Engels bedankte en zijn opvolger is W. van Buuren.
Op 15 februari 1884 werd door het bestuur van de christelijke school een aanbesteding voor het afbreken van de bestaande en het bouwen van een nieuwe school met onderwijzerswoning gedaan.
Er waren 4 inschrijvingen voor dit werk, t.w.:
1. Tjako Brons en Meint Mulder voor f 4.798,-, 2. G. Tul te Borgsweer en S. Derksema te Termunterzijl voor f 4.740,-, 3. Jan Bult te Wagenborgen voor f 4.656,- en 4. Steffen Akkerman en Jurjen Erons voor f 4.119,-.
Aan de laagste inschrijvers werd het werk gegund.
De uitbesteders van dat moment waren de leden van het schoolbestuur t.w. J. van der Laan, G.N. Takens, J. Kamp, W. Brons, E. Engels, J.J. Brons, H. Klatter. Namen die wij 4 jaar later op 9 november 1888 weer zullen tegenkomen toen op die dag de Doleantie
in Wagenborgen een feit werd.
Er wordt in het dorp en in de omliggende plaatsen gecollecteerd.
Tevens wordt besproken of er moet worden omgezien naar een andere locatie in het dorp waar de nieuwe school zal worden gebouwd.
In april 1884 wordt aanbesteding gehouden van de te maken schoolbanken. De inschrijvers waren: S. Akkerman en J. Brons voor f 124,-, D. Noordhoek voor f 117,- en M. Mulder voor f 112,-
"Inwijdingsfeest"
Ds. J. Hulsebos (1844-1904) ging in 1887 als hervormd predikant van Zuidwolde in doleantie. Hij vertrok in 1889 naar Vlissingen. In verschillende gereformeerde huiskamers hing zijn portret.
De opening van de nieuwe school wordt in de notulen d.d. 9 juni 1884 inwijdingsfeest genoemd. De schoolkinderen zullen worden getracteerd op chocolademelk en ieder 2 broodjes en voor 5 cent koek.
Het feestcomité bestaat uit de heren J. Brons, J. Kamp en H. Klatter. De datum voor de opening van de school wordt bepaald op 10 juli 1884. De predikant Ds. Rutgers zal optreden als ceremoniemeester.
De genodigden worden onthaald op thee en broodjes en een glas wijn. Uitgenodigd worden o.a. het landelijk hoofdbestuur, de ereleden, de onderwijzers uit Spijk, de heer Bleeker uit Bierum, de predikanten Vliegenthart en Gravemeijer uit Groningen. Ds. Hulsebos en echtgenote en de leden van de schoolcommissie uit Oostwold zijn genodigd. Evenals de vroegere hoofdonderwijzers de heren Bösecke en Goldschmidt en de burgemeester van de gemeente Termunten en Ds. Moedt te Siddeburen. Ds. Hulsebos uit Oostwold, dan nog hervormd predikant, is vóór de Doleantie in Wagenborgen al geen onbekende.
In november 1888 zal hij als consulent optreden van de dolerende gemeente te Wagenborgen (zie hiervoor het gedenkboek "Op het Erf der Vaderen" van de Nederlandse Hervormde Gemeente te Wagenborgen).
Naast de collectes die in en buiten Wagenborgen zijn gehouden voor de realisering van het nieuwe schoolgebouw, heeft het schoolbestuur nog een bedrag van f 1.000,- als kapitaal.
Becijferd wordt dat er nog f 500,- te kort is, waarvoor besloten wordt nogmaals te collecteren en nu in Assen, Hoogeveen en Zwolle. Aan Magendans wordt verzocht in zijn geboorteplaats Arnhem nog eens hier en daar gelijkgezinden om een bijdrage te vragen. Ook wordt de Kerkeraad verzocht tijdens de kerkdienst een maandelijkse collecte te mogen houden voor de school.
Voor het vele werk dat Ds. Rutgers heeft verricht voor de collectereizen voor de nieuwbouw wordt hem een zilveren inktstel aangeboden door het bestuur.
Schoolgeld
De meer gegoeden vallen buiten de normale schoolgeldregeling.
Hun schoolgeld bedraagt 25 cts. per kind per week. Het normale schoolgeld bedraagt f 0,10 per week. De kinderen van buitenaf, vnl. Schaapbulten, moeren wekelijks aan de hoofdmeester betalen. De bestuursleden gingen met de schoolgeldboekjes rond bij de ouders der leerlingen om op gezette tijden zelf het schoolgeld te innen.
Ontspanning
Elk jaar wordt er op 10 juli het jaarlijks schoolfeest gehouden (= de stichtingsdag van de school).
In 1885 wordt op voorstel van meester Magendans een "rijtoertje gemaakt naar het Slogterbosch". Aan Arkema te Nieuwolda zal gevraagd worden wat de kosten zijn als hij met zijn beide omnibussen naar Slochteren wil rijden. Ook zullen bezitters van rijtuigen worden gevraagd hun medewerking te verlenen.
Financiën
Een onderwijsinstituut in het leven roepen, zonder dat de burgerlijke overheid daarbij financiele ondersteuning geeft was een zaak van doorzettingsvermogen; zeker in die stichtingsperiode vanaf 1867.
In 1879 bedroeg de schuld f 1.004,282. Dit tekort dat vele jaren duurde werd dan aangezuiverd door bemiddelde bestuursleden, veelal uit de boerenstand.
Als de kaart van Europa moet worden hersteld en eigenlijk vervangen moet worden door een nieuwe is daarvoor geen geld. Door het opplakken van gedrukte vellen wordt deze kaart vernieuwd. De stokken en het linnen zijn namelijk nog in goede staat.
Om de kas enigszins te verstevigen worden er na de schooltijden ook verenigingen in de school toegelaten. Aan J. Klatter wordt toegestaan in één van de lokalen Zondagsschool te houden. Ook de Jongelingsvereniging maakt er gebruik van. Ook de jaarfeesten
van de 2 jongensverenigingen worden in de school gehouden.
1891. Financiën/subsidiering
Op het verzoekschrift van het bestuur om een provinciale subsidie te mogen ontvangen is door Gedeputeerde Staten gunstig beslist.
Over het jaar 1890 ontvangt het schoolbestuur een bedrag van f 433.33.
Regelmatig wordt in de notulen gewag gemaakt van de opneming van gelden voor het op tijd kunnen betalen van de salarissen van de onderwijzers.
De geldelijke toestand in 1891 was weer precair. Ernstig werd beraadslaagd of het traktement van meester Magendans moest worden teruggebracht tot zijn aanvangsalaris tijdens zijn benoeming tot hoofdonderwijzer in 1884 nl. f 800,- per jaar.
Voor "daglonerskinderen" bestond de gelegenheid dat zij werden vrijgesteld van het betalen van schoolgeld gedurende de periode van 1 december tot 1 mei. De notulen vermelden dat de bestuursleden vaak op pad waren naar nalatige ouders die hun
schoolgelden niet betaalden.
Relatie school en de Huizen van Barmhartigheid
De relatie tussen school en "'t Gesticht" zijn goed te noemen.
Immers enkele bestuursleden van de Vereniging tot Christelijke Liefdadigheid waren eveneens bestuurders van de school.
In 1890 wordt "een meisje uit het gesticht" tijdelijk handwerkjuffrouw op school.
In het zgn. "schoolboekje" - dat ieder lid van het bestuur onder zijn beheer had - werd in dat van W. Brons ook genoteerd de namen van kinderen van het Huis van Barmhartigheid. Op dat moment was er nog steeds één huis, t.w. Bethel. In 1892
verrees het 2e huis, t.w. Eben Haëzer (later Bethesda).
Meester J. Kamp, voorheen onderwijzer aan de school te Westerhaar (Drenthe) wordt in datzelfde jaar (1-10-1890) onderwijzer aan de school, met een jaarsalaris van f 450,-. De benoeming zal doorgang vinden wanneer er een 2e Huis van Barmhartigheid wordt gebouwd en meester Kamp en zijn echtgenote in dat nieuwe paviljoen een kamer en een slaapkamer in gebruik kunnen nemen. Daarvoor wordt de heer Kamp dan f 50,- per jaar op zijn salaris in mindering gebracht, terwijl de opbrengst van de breischool die zijn echtgenote zal leiden, zal worden afgestaan ten bate van de schoolkas.
Doleantie (9 november 1888)
Ds. Willem Hoeksema (1886-1888), hervormd predikant te Wagenborgen stond aanvankelijk sympathiek tegenover de christelijke nationale school.
Toegestaan werd tijdens de zondagse eredienst in de hervormde kerk te collecteren voor de school. Ook aan Unie-collecten werd deelgenomen door hervormde kerkeraadsleden als collectanten.
De postgevatte bewering als zou Ds. Hoeksema voorstander zijn van de Doleantie en deze in Wagenborgen vóór zijn vertrek in oktober 1888 mee heeft helpen voorbereiden moet toch worden ontkend. De notulen van 30 januari 1888, bijna een jaar vóór de Doleantie getuigen daarvan.
Zonder een exacte beschrijving van de feitelijke omstandigheden maken deze notulen gewag van een scheiding der geesten tussen kerk (dominee) en school. Er is een niet nader omschreven klacht binnengekomen over de houding van Hoeksema. Hij waagde te preken over onverdraagzaamheid, wat kennelijk in kerk en school aanwezig is.
De bestuursleden Kamp en J.B. Smit - de laatste nog hervormd kerkeraadslid - zullen dominee onderhouden over "het onaanvaardbare" en hem een "fikse contributie" vragen en dat er "meer liefde voor de school zichtbaar mag worden".
De notulist vervolgt: "er is een klacht over de houding van de predikant inzake de christelijke school. Alle ijver voor christelijke zaken (= doleantie) wordt door Hoeksema afgekeurd. Er wordt niet meer de minste sympathie betuigd voor de school. Takens (dan nog hervormd kerkeraadslid, ouderling) stelt voor, degene die voor de toelage (?) van dominee hebben getekend, deze toelage zolang te willen geven voor de school." Er gaat een delegatie van het bestuur naar de pastorie inzake deze klacht.
De notulist vervolgt: "Het bestuur stemt dit niet tot vreugde. De bedrukte toestand blijft in de harten bestaan omdat kerk en school anders zo nauw verwant, thans ellendig met elkaar worden verward."
Er wordt een bezoek aan de pastorie gebracht en aansluitend een vergadering op de boerderij van Smit gehouden. Hoeksema is genegen een jaar contributie te betalen van f 5 ,-.
Ds. Hoeksema wenste niet mee te gaan met de Doleantie en is in zijn latere gemeenten Burum (1888), Achlum (1896) en Voorthuizen (1900) steeds hervormd predikant gebleven.
Bij het 20-jarig bestaan van de school in 1887 waren reeds lijnen uitgezet naar de gereformeerde gezindte. Ds. J. Hulsebos - dan predikant te Zuidwolde - wordt aangezocht een bidstond te houden tijdens dit jubileum in het schoolgebouw.
In de bestuursvergaderingen van 23 juli 1888 wordt "wel vergaderd doch niet over schoolzaken" en op 17 september 1888: "er wordt over algemeen kerkelijke zaken gesproken". Alle bestuursleden zijn hierbij aanwezig.
Er is dus een principieel verschil van inzicht tussen bestuur en Ds. Hoeksema over de op handen zijnde doleantie.
De dolerende kerkeraadsleden uit 1888 (met * aangemerkt) zijn tevens bestuursleden van de christelijke school, t.w.: E. Engels*, J.J. Brons, J. Kamp, G. Takens*, W. Brons, J. Smit*, H. Klatter, J.J. Brons, J. Kamp, W. Brons en H. Klatter.
In de eerste bestuursvergadering na de Doleantie (19 november 1888) wordt er niet gesproken dat de dolerende kerk haar diensten in de christelijke school houdt.
Uuldershof (lid van de hervormde diaconie en gebleven in de hervormde kerk) wordt schriftelijk gemaand, dat de diaconie haar verplichting t.a.v. "vrouw Wedda" moet nakomen. Kennelijk betreft het hier schoolgeld dat voor de kinderen Wedda door de hervormde diaconie werd betaald.
In de notulen van 1904 wordt gewag gemaakt van het feit dat de hoofdonderwijzers verplicht zijn bij hun benoeming een verklaring te ondertekenen inzake het verband tussen de Gereformeerde Kerk en de christelijke school. De tekst van deze verklaring ontbreekt jammergenoeg. Bij navraag is deze ook niet meer te achterhalen.
Ds. Goeree - een kritisch bestuurder
Nadat op 9 november 1888 de Doleantie een feit was geworden werd ds. W.K.P. Goeree van Kerkwerve (Zeeland) op 8 september 1889 bevestigd door de consulent van de Wagenborger Gereformeerde kerk, ds. J. Hulsebos.
Zijn tractement bedroeg f 600,- per jaar, een salaris dat destijds minder bedroeg dan dat van de hoofdonderwijzer meester Magendans.
De intrede en bevestiging vond plaats in de christelijke school. Pas in 1890 werd het eerste kerkgebouw aan het Zandpad (nu Kerkstraat) in gebruik genomen. Ook was er nog geen pastorie voor de nieuwe dominee. Hij bewoonde een woning eveneens gelegen aan het Zandpad. Hij heeft 36 jaar het Woord Gods verkondigd in Wagenborgen.
Dominee was lid van de Vereniging van Christelijk schoolonderwijs en werd in de vergadering van 11 april 1892 toegelaten om te interpelleren inzake de handhaving van het reglement.
Ds. Goeree vraagt het bestuur waarom er voor de gewone leden geen rekening en verantwoording meer wordt gedaan. De discussies waren zo breedvoerig dat er in de notulen geen melding van kan worden gedaan.
Overigens heeft de heer Goeree nog aanmerkingen op het functioneren van de penningmeester Engels en de slechte verhouding tussen Meester Magendans en Engels.
De secretaris Volhand besluit zijn notulen met de opmerking dat de vergadering "in zeer onaangename stemming uiteenging".
In het taalgebruik van die dagen wordt later vermeld dat deze zaak is opgelost "overtuigd zijnde van de kerkelijke vruchten welke gekweekt worden op de akker van eenheid en onvervalste broederzin".
Ds. Goeree schrijft het schoolbestuur nog een brief waarin hij mededeelt dat hij het niet eens is met de inhoud van de notulen, waarin de kwestie Engels-Magendans is neergelegd. Hij beschuldigt het bestuur van partijdigheid en acht de zaak bezijden
van de waarheid. Volgens Goeree waren de notulen ook getekend door bestuursleden die de vergadering reeds hadden verlaten voor de sluiting en dus niet geheel konden oordelen over het voorgevallene. Het bestuur vindt de vergadering wanordelijk verlopen door de onhandige handelwijze van Ds. Goeree.
Ook in latere jaren heeft Goeree meermalen het schoolbestuur in meerdere kwesties aan de tand gevoeld. De ruzie is kennelijk zo hoog opgelopen dat Ds. Goeree bedankt als lid van de vereniging en zijn contributie opzegt.




