Openbaar onderwijs

De oude karspelschool (1827).

Karel de Grote was in zijn tijd reeds een krachtig bevorderaar van onderwijs in staatsscholen. Het onderwijs is in latere eeuwen nog weinig gedifferentieerd. Naast de lagere scholen zijn er Latijnse scholen en enkele universiteiten (Harderwijk, Leeuwarden en Groningen (1614).
De staatsregeling van 1798 erkent het onderwijs nadrukkelijk als een nationale taak en wijst agenten van Nationale Opvoeding aan, als voorloper van de minister van onderwijs, die pas bij koninklijk besluit van 25 september 1718 als autoriteit wordt ingesteld.
In 1806 komt de eerste Nederlandse schoolwet tot stand, op voorstel van de heer van der Palm. Het doel van het Lager Onderwijs in het algemeen was volgens de wet van 1806 "dat onder het aanleren van gepaste en nuttige kundigheden de verstandelijke vermogens der kinderen ontwikkeld en zij opgeleid worden tot alle maatschappelijke deugden".
Destijds werd het klassikaal onderwijs ingevoerd. Het beschavingsideaal van de stroming der Verlichting komt in deze doelstelling duidelijk tot uitdrukking. De Verlichting bepleitte een samenleving die zich baseerde op redelijkheid en zedelijkheid, dus niet op dogma's en machtsuitoefening. Volksopvoeding was een van de stokpaardjes van deze stroming en werd als het middel aangeprezen tegen allerlei maatschappelijke kwalen. Al in de Staatsregeling van 1798, de voorloper van de Grondwet van 1848 wordt gewag
gemaakt van beschaving via het onderwijs.
In 1838 waren er nog bijna 48% van alle lagere scholen in de provincie Groningen eigendom van de Hervormde Kerk en werd de kerk voor 26% verantwoordelijk geacht voor het onderhoud van meubilair en leer- en hulpmiddelen.
In het rijke Oldambt was de kerk bijna overal eigenaar van de school en bekostigde zij al het overige eveneens. De financiële afhankelijkheid van het lager onderwijs van kerkelijke instanties was dus groot. Ook in Wagenborgen..
De evolutie van ons onderwijs m.b.t. het bijzonder onderwijs vormt een boeiend stuk vaderlandse geschiedenis. Zij kwam tot stand na een met bewogenheid gevoerde geestelijke strijd en beïnvloedde gedurende vele jaren (tot 1920, toen de Lager Onderwijswet werd ingevoerd) het politieke leven van de nederlandse samenleving.
Voor de oprichting van een bijzondere school had men toestemming nodig van het gemeentebestuur. Die toestemming werd niet zelden geweigerd. In Wagenborgen echter niet. Het gemeentebestuur van Termunten gaf toestemming tot de oprichting van een bijzondere school. Financiële middelen moesten zelf worden bijeengebracht.
Het sectarisch onderwijs werd over het algemeen niet onverdeeld gunstig ontvangen. Er was vrees voor concurrentie. Het opkomende liberalisme van de overheid van die tijd bracht verandering in de houding van hen, die in de nationale eenheidsschool op
grond van godsdienstige gevoelens geen bevrediging konden vinden.
De oplossing van deze schoolkwestie is gevonden door de aanvaarding van het beginsel van de vrijheid van onderwijs. In 1848 is dat beginsel in de Grondwet neergelegd. In 1857 is de Schoolwet daarmee in overeenstemming gebracht. Voor het stichten van een bijzondere school was geen overheidstoestemming meer nodig. Wel was zij nog van overheidssteun verstoken.
In 1889 werd een regeling voor subsidiëring van het bijzonder onderwijs in de wet opgenomen. Een jaar nadat de eerste school in Wagenborgen werd gebouwd en in gebruik genomen. Dat betekent dat de christelijke lagere school te Wagenborgen een periode van 22 jaar het financieel alleen moest rooien. Dat zal een behoorlijke financiële krachtsinspanning hebben gekost destijds in een niet al te florisant dorp met voornamelijk kleine boeren en arbeiders en een geringe middenstand.

 

Omdat de notulen van het schoolbestuur van de eerste 12 jaar ontbreken hebben wij geen inzicht in o.a. financiële zaken als salariering van de schoolmeester en de financiering van de bouw van de eerste school en de inrichting daarvan. De christelijke nationale school die in 1867 werd gesticht en waarvoor in 1888 het eerste nieuwe schoolgebouw werd gesticht ontving geen overheidssubsidie.
Bij de totstandkoming van de Lager Onderwijswet werd de financiële gelijkstelling eindelijk geregeld. Deze financiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs kwam echter door een vreemd compromis tot stand. Het christelijk volksdeel achtte destijds het algemeen kiesrecht niet voor iedereen gewenst volgens bijbelse normen.
De liberale en linkse groeperingen in 's lands vergaderkamer wensten dit recht voor iedereen. In ruil voor financiële gelijkstelling werd toegegeven aan de wens van de politieke tegenstander.