De jaren 20
In 1920 is het bestuur een terrein aan het zoeken voor de bouw van een school, de schoolopzichter, de heer J.C. Wirtz, schrijft op 15 december 1920:
"Ik heb de eer U te berichten, dat ik met allen ernst het Bestuur aanraad dadelijk over te gaan tot aankoop van het perceel, dat ik gezien heb. Vooral, wanneer er nog een strookje van den buurman bijkomt, is dit terrein heel geschikt. Wanneer er later moeilijkheden komen, zal ik U helpen, maar ik verwacht die moeilijkheden niet."
Op 16 december 1920 is er een algemene ledenvergadering. Aan de orde is de aankoop van grond voor de bouw van een school. De heer Bleeker is wethouder van de Gemeente Termunten en adviseert de vereniging:
"Vervolgens deelde de voorzitter mede dat het bestuur een conferentie heeft gehad met den heer Wirtz, district schoolopziener, en met den edelachtbare heer burgemeester en dat deze heeren hun aller medewerking hadden toegezegd. Vervolgens dat het bestuur in hun laatst gehouden vergadering besloten hadden om tansch aan de vereeniging machtiging te vragen om het huis bewoond door het hoofd der school van den Kerkeraad te koopen. De voorzitter acht het zeer geschikt en ook niet te duur voor de kostende prijs. (...)
Den heer Bleeker is en blijft van gevoelens dat het een zeer ongeschikt terrein is, ten 1sten de ligging van de grond (in verband met de bocht in de weg), ten 2den de plaats, en ten 3den dat het huis erg er door verminderd in waarde dat er geen grond overblijft voor het hoofd der school; en geeft het bestuur in ernstige overweging om naar ander terrein uit te zien (...)
De voorzitter vraagt aan Bleeker of hij beter terrein weet wat goedkooper voor de vereeniging is en geschikter gelegen ligt. (...)
Het hoofd der school antwoordt Bleeker ten 1sten dat hij juist niet zo een groote behoefte aan grond gevoeld als er maar een bleekveldje overblijft, ten 2des acht hij de bocht ook heelemaal geen bezwaar en ten 3des om ander terrein te koopen of Bleeker dan wel rekening hield met de draagkracht der gemeente, want werd er op een ander terrein gebouwd dat er dan ook een nieuw huis voor het hoofd der school gebouwd moest worden en dit zou dubbele lasten voor de gemeente worden. Tevens dringt meester er bij Bleeker op aan om onze schoolzaak als wethouder zoo goed mogelijk te behartigen. De heer Bleeker antwoordt dat hij de zaak zal steunen zooveel als in zijn vermogen is en ook zoo mogelijk bevorderen."
Hierna zijn de ontwikkelingen stormachtig. Er zijn vergaderingen op resp. 21, 23 en 28 december 1920:
"Door den secretaris werd medegedeeld dat Van Dijk (...) niet aan hun opdracht had voldaan om de grond van den heer T. Bosker te aanvaarden, om reden dat er na alle waarschijnlijkheid geschikter terrein te verkrijgen was bij het oud hoofd der Openbaare Lagere school te Woldendorp; doch bij onderzoek bleek dat deze ook ƒ. 1500 vroeg voor 5 are.
Na ruime bespreking werd het terrein van het oud hoofd der O.L. school, den heer Smid, van de hand gewezen en nogmaals aan den secretaris en penningmeester opgedragen om de grond van Bosker te aanvaarden."
"Op den 23ste December voldeed den secretaris aan zijn opdracht om den heer Smid, oud hoofd der O.L. school alhier mede te deelen dat het schoolbestuur op zijn aanbod niet inging wegens de te hooge koopprijs; waarop laatstgenoemde aan den secretaris mededeelde dat het te verkrijgen was voor ƒ. 1000, waarop den secretaris met den voorzitter een spoed- vergadering van bestuur te zamen riep op 28 December 1920 om een beslissing te nemen aangaande deze aanbieding. Met eenparige stemmen werd besloten om dit aanbod te aanvaarden (...)."
In februari 1921 schrijft het bestuur de volgende brief aan de gemeenteraad van Termunten:
"Het Bestuur v/d Vereen. tot St. en Inst. enz. heeft de eer, U bij dezen te doen toekomen een aanvrage met beleefd verzoek de benoodigde gelden te mogen ontvangen ten behoeve van de stichting met eerste inrichting van een schoolgebouw voor bovengenoemde vereeniging. Het Bestuur wenscht de school te vestigen op een terrein gelegen te Woldendorp Sectie E nr. 1285.
De voorlopige raming van kosten, bedoeld in art. 72 sub 2 bedraagd:
f. 16.800,00 voor timmer en metselwerk
f. 1.500,00 voor schilder en glaswerk
f. 2.000,00 voor meubilair
f. 1.500,00 voor leer en hulpmiddelen
f. 1.000,00 voor terrein
f . 22.800,00 totaalbedrag
Het bestuur van de Vereeniging verklaart, ingevolge art. 73 sub 1
dat de school, waarvoor nevengaande aanvraag wordt ingediend door meer dan 40 leerlingen zal worden bezocht.
dat bovengenoemde vereeniging zich verbindt om, voordat met den bouw wordt aangevangen, als waarborgsom een bedrag, gelijkstaande met 15 ten honderd van de stichtingskosten in de Gemeentekas te storten. Voor gedeeltelijke voldoening dezer waarborgsom wenscht het Bestuur mede te bestemmen de waarde van het terrein, zoals deze bepaald door de schattingscommissie.
Opgave, ingevolge art. 73 sub 1c behoorende bij nevengaande aanvragen:
Het gebouw moet ruimte bieden voor 50 leerlingen.
Het maximale getal leerlings, dat per klasse zal worden toegelaten bedraagt 20.
Het aantal klassen bedraagt 7.
De school zal bestemd zijn voor het geven van gewoon lager onderwijs."
In 1921 was er een personeelstekort, het hoofd der school schrijft aan het bestuur:
"Met het oog op de komende najaarsexamens zal het zeker gewenscht zijn, nogmaals te trachten een onderwijzer(es) te krijgen. Nu het adverteeren in de onderwijsbladen ons geen resultaten heeft opgeleverd, zouden we het thans eens kunnen probeeren met 'Nieuwe Prov. Gron. Courant' en 'Standaard'. Bijv. resp. 6 en 3 keer onderstaande advertentie:
Het heeft niet geholpen. Op 16 december 1922 schrijft het bestuur aan de Heer Inspecteur:
"Bij de stichting van onze school op 10 augustus 1920 was na herhaalde oproeping geen enkele sollicitant verschenen en daarop is toen de echt-genoote van het hoofd der school benoemd tot onderwijzeres. Wij hebben dit slechts aanvaard als een noodtoestand en daarom ook ondermeer telkens oproepingen geplaatst om personeel. In ruim 2 jaren zijn 35 advertenties geplaatst in verschillende bladen als 'Onze Vacatures', 'School met den Bijbel', 'Standaard', 'Nieuwe Prov. Groninger Courant'en de laatste weken in het Correspondentieblad'. Nog nimmer heeft ook maar één sollicitant zich aangemeld of inlichtingen gevraagd.
Thans vervallen we in een andere noodtoestand. Onze onderwijzeres zag zich genoodzaakt ontslag aan te vragen, wat door het bestuur ook eervol is verleend met ingang van 1 Jan. a.s. Het h.d.s. zal dan dus alleen komen te staan. De school telt 54 leerlingen, verdeeld over 7 klassen, in 2 lokalen thans gecombineerd 1-3 en 4-7.
Nu is de vraag, of U Uwe goedkeuring zou kunnen hechten aan een regeling van de schooltijden, waarbij beurtelings de eene week onderwijs zou kunnen gegeven worden aan de laagste en de anderen week aan de hoogste klassen.
Een andere oplossing zien wij niet, meer met het oog op de groote afstanden door vele kinderen af te leggen en de korte dagen.
Gaarne zouden wij spoedig Uw antwoord in deze zaak tegemoet zien."
Het antwoord van de Inspecteur:
"Voorlopig kan ik mij er wel mede vereenigen, dat aan Uw school beurtelings de eene week onderwijs wordt gegeven aan de laagste en de andere week aan de hoogste klassen. Met het oog op de groote afstanden en de korte dagen zal dit de beste oplossing wel zijn. Toch zijn er te groote bezwaren aan verbonden, dan dat zulk een regeling op den langen duur kan toegestaan worden.
In de lange zomerdagen zal de oplossing in een andere richting gezocht moeten worden, als ook dan de vacature voortduurt. Dan zal het misschien overweging verdienen, het aantal schooltijden per dag op drie te brengen en de lokalen om den anderen dag één schooltijd vrij te laten, zoodat de klassen, die den eenen dag twee schooltijden hebben, den volgenden dag met één schooltijd genoegen moeten nemen." "Dit zal op meer arbeid voor het Hoofd uitloopen, maar als dit niet kan, dan lijdt het onderwijs te groote schade. In den winter is zulk een regeling echter niet te denken en daarom leg ik mij voorloopig bij Uw voorstel neer."
Op 13 juni 1923 zond het bestuur een brief aan den heer Inspecteur voor het Lager Onderwijs:
"Op woensdag 20 juni a.s. zal door den Heer Van Dijk, Schoolopziener op Soemba, te Delfzijl een tentoonstelling worden gehouden van Soembaneesche voorwerpen voor het personeel en de leerlingen der Chr. scholen in deze omgeving. Teneinde het personeel en de hoogste klassen onzer school in de gelegenheid te stellen deze samenkomst bij te wonen, zal op dien dag geen onderwijs worden gegeven. Het plan is echter aan dit uitstapje tevens een klein schoolreisje te verbinden naar de haven van Delfzijl."
Voortgezet onderwijs was nog niet gewoon; getuige het briefje van het hoofd der school aan de Inspecteur:
"In antwoord op Uw circulaire d.d. 30 september heb ik de eer U mede te deelen, dat mij na onderzoek is gebleken, dat er voor dit jaar (1925) geen voldoende belangstelling bestaat voor het volgen van voortgezet onderwijs aan onze school."
Het schoolverzuim was ook een probleem:
"In antwoord op Uw schrijven d.d. 3 febr. 1926 heb ik de eer U het volgende mede te deelen. Inderdaad is hier elk jaar het verzuim in de wintermaanden schrikbarend hoog, in Dec. jl. zelfs 343 van 2088 schooltijden (ruim 16%).
De oorzaken hiervan zijn: ziekten en weersgesteldheid en dan de laatste vooral in verband met de verre afstanden en onbegaanbare kleiwegen. Zoo hebben 3 kinderen uit één gezin een schoolpad van minstens een uur (ook nog een gedeelte kleiweg; bij de hooge waterstand was hun huis heelemaal niet te bereiken dan langs een groote omweg. Zij waren de hele maand afwezig (3x38=114 van de 304 verzuimen).
Overigens meen ik eerder 'zwaar' dan 'licht' te zijn in het beoordelen van een verzuim, wat m.i. mede ten gevolge heeft gehad, dat het aantal ongeoorloofd verzuimen sterk is afgenomen, zooals een vergelijking met voorgaande jaren doet zien."
Uit de notulen van de bestuursvergadering d.d. 2 juli 1926:
"Benoemd werd tot schoolschoonmaakster van 1 october 1926 tot 1 october 1927 Wed. T. Smant op de zelfde voorwaarde als vorig jaar. Hierbij kwam ter sprake of dit niet voor minder kon waarna na eenige bespreking Krist dit op zich nam om hierover met Wed. T. Smant te spreken."
De school ontving een reclameschrijven van Gobeline-fabriek Hermann A. Schreuder & Co:
"Hebt U wel eens opgemerkt dat in Ziekenhuizen... de muren meestal geverfd zijn, niet gewit? Zou dit ook een reden hebben? Zeer Zeker!!!
Het gebruik van witkalk is ongezond; elke aanraking met een gewitte muur doet millioenen moleculen opvliegen, die soms dagen aaneen blijven ronddwarrelen, ingeademd worden en hunne moorddadige werking in de longen niet missen..."
"...en in Uw school sluipen dus ook millioenen moordenaars rond die het gemunt hebben op de longen van Uw onderwijzend personeel, maar vooral ook op de nog zoo teere longetjes van de deels aan Uwe zorgen en Uw toezicht toevertrouwde jeugd. (...)"
"Na verloop van jaren wordt aan de witkalk-vergiftiging op de school niet meer gedacht en toch kan die mede de oorzaak zijn geweest van langdurig longlijden..."
Uit de notulen van de bestuursvergadering d.d. 2 juli 1926:
"Door de secretaris werd medegedeeld dat de school gewit was geworden met Gobeline."
Uit de notulen van de bestuursvergadering d.d. 19 april 1929:
"Hierna kwam in bespreking het verkopen van drinkwater uit de regenbak van de school, daar tot dusver ieder daar uit weghaalde meende het hoofd der school dat het beter was dat hier paal en perk aan gesteld werd, eerst kwam ter sprake om het te verkoopen voor 1 cent per emmer en dan ieder gezin 2 emmers per dag op den tijd tussen 4 en 5 uur waarna ter spreke kwam om de bak te verpachten en wel aan D. v/d Laan die er toch het meeste uit verbruikt voor den som van 5 gld per jaar onder de voorwaarde dat dit bedrag vooruit betaald moet worden en zij er een halve meter in moeten laten blijven."