Historisch overzicht door meester van Dijk (1/3)

Hieronder het eerste deel van de letterlijke tekst van een toespraak gehouden net na de oorlog door meester J.F. van Dijk voor ouders en bestuursleden.

In gulden letters staat in de historie van onze schoolstrijd geschreven het jaar 1920. Het jaar immers, dat de bekroning was van een tachtig jarige strijd voor de vrije school. Zoals onze vaderen 80 jaar lang de ongelijke strijd met het overmachtige Spanje voerden, zo ook voerden onze vaderen een 80-jarige strijd tegen het oppermachtige liberalisme, tot God heerlijk uitkomst gaf.
In 1920 kwam de financiële gelijkstelling en daardoor werd de mogelijkheid geopend alom in den lande Chr. scholen te stichten. Ik laat thans onbesproken de kwestie, dat de financiële gelijkstelling ook haar schaduwzijden heeft, want wie voelt thans nog het grote, het machtige, waar het voor onze Chr. school om gaat, waar onze vaderen voor streden en grote offers voor over hadden. Dat zou een onderwerp op zich zelf kunnen zijn.
Er bestond ook hier, gelijk op zovele plaatsen een lokaal comité van de Unie een school met den Bijbel, oorspronkelijk was dat geweest een bond voor hetVolks-petitionement. Dezelfde Unie organiseerde sinds 1879 de jaarlijks terugkerende Uniecollecte. Tal en tal van sprekers zijn namens de Unie opgetreden en nog altijd arbeidt ze in het belang van de scholen met den Bijbel. Die Unie-collecte is in de eerste plaats een zwijgend protest tegen de vroegere onderdrukking, waar ook in het verleden. Ze roept ons telken jare de dagen van het volkspetitionement in de herinnering terug.
Veel krachtiger dan de Unie werd de Schoolraad voor de Scholen met den Bijbel. Hierbij zijn thans de meeste scholen aangesloten en mr. Hangelbroek is thans de aangewezen adviseur. In honderden gevallen kon zijn advies worden ingewonnen, die steeds met grote bereidwilligheid en nauwkeurigheid worden verstrekt. Maar daarover straks nog nader.
Hier bestond dus een lokaal comité van de Unie, het begin van onze latere school-vereniging. Ook het schoolbestuur is daaruit voortgekomen. De eerste bestuurs- leden waren: Ds. Hoeksema, voorzitter, H. Huizinga, T. Hommes, E. Mulder en H. van Dijk. (...)
Toen verschillende pogingen van de kerk van Woldendorp waren mislukt, om een eigen predikant te krijgen, werd er met aandrang van de classis vanuit gegaan, om nu een school te stichten. Een huis was door de kerkeraad reeds gekocht, dat zou dan als onderwijzerswoning kunnen dienen. O, wondere loop der historie, toen later de tijd aanbrak, dat er werkelijk een eigen predikant kwam, was ook de onderwijzerswoning disponibel, omdat ondergetekende zelf een woning had. En nu onze eerste dominee gaat vertrekken, hoopt dezelfde ondergetekende weer tijdelijk gebruik te maken van de pastorie. Het grote standpunt van ds. Hoeksema is ook altijd geweest: eerst een school en daarna een predikant.
Dit is inderdaad in vervulling gegaan en het moet voor hem een grote voldoening geweest zijn, toen op 30 augustus 1920 de school officieel geopend werd. (...) Een school met steun van de classis, als evangelisatieobject, dat was het grote doel. Deputaten van evangelisatie waren toen ds. Lammersma en ds. Neijenga. Als er ooit mensen geweest zijn, die mede hun best gedaan hebben voor de stichting van onze school, dan zijn zij het zeker geweest. Ik kan mij het nog herinneren, hoe ik ze wel eens naar onze onvergetelijke O.G.-tram heb geleid, die toen pas geopend werd. Vonken spattend kwam het oude trammetje langs de met sneeuw bedekte baan aanschommelen, soms tijden en tijden te laat.
Ds. Lammersma en ds. Neijenga hebben ook de eerste besprekingen gevoerd met schoolopziener Wirtz te Winschoten en het advies luidde: spoed betrachten. Die spoed is betracht en heeft voornamelijk daarin bestaan, dat men de school wilde openen voor er nog een schoolgebouw was.
Door de goede en nauwe samenwerking met de kerkeraad, werd het kerkgebouw ingericht tot school. Midden door de kerk werd in zijn breedte een houten schot met grote draaibare en uitneembare deuren geplaatst, zodat des zondags er gewoon weer dienst in kon gehouden worden. De classis stelde voor dit alles geld beschikbaar. Ik meen van drie keer een som van f. 500,00. Daarvoor moest verder ook een eerste inrichting plaats hebben. Losse planken cq. lessenaars werden over de kerkbanken geplaatst en daar konden de kinderen bij zitten te werken. Wel een lastige en vervelende inrichting, maar het ging toch. De school kwam op gang en dat was het grote doel.
Ik weet niet, of er oproepingen voor onderwijzend personeel hebben plaatsgehad, waarschijnlijk wel voor een onderwijzer of onderwijzeres, maar niet voor een hoofd. Deputaten van evangelisatie hadden het oog laten vallen op een onderwijzer te Appingedam, die dan ook inderdaad door de schoolvereniging benoemd werd, de heer A. Th. Wildeman. Voor personeel was men niet voorspoedig, men kreeg tenminste geen enkele sollicitant, als ik me goed herinner. Gelukkig was de aanstaande vrouw van het hoofd onderwijzeres geweest, maar daaraan waren grote bezwaren verbonden, al zag het bestuur die niet. Dat waren immers allen zeer goedgelovige broeders. Over die bezwaren zo meteen.
Mej. Wildeman nam voorlopig de benoeming aan en zo kon men dus in zee gaan.
Het moet voor het oude hoofd der openbare school een moeilijke dag geweest zijn, toen hij zovele zijner leerlingen zag gaan. Zo kon de school geopend worden met 48 leerlingen op 30 augustus 1920.
Verschillende autoriteiten werden uitgenodigd, zoals schoolopziener Hommes, deputaten van evangelisatie, burgemeester en wethouders, besturen en personeel van naburige scholen, enz. (...)
De kinderen en de ouders hadden die dag feest, en dik feest ook. De hoofdtoon van dit feest moest wel zijn, wat er op de avond van die gedenkwaardige dag met vlammende letters in de ereboog voor de kerk stond gegrift: de Heere heeft grote dingen gedaan, dies zijn wij verblijd. Ik kan me herinneren, dat het muziekkorps Laus Deo zijn daverende muziek liet horen. Het moet geloof ik, zeer goede muziek geweest zijn. Hoe kan het ook anders, alles wat uit Wagenborgen komt is immers goed. Ook weet ik nog, dat collega Huisman uit Wagenborgen zeer lang gesproken heeft over de strijdbijl, we zagen hem al haast vliegen. Wij jongeren, dachten toen meer aan de tractaties, die nog zouden volgen dan aan een strijdbijl, meen ik. Maar dat neemt niet weg, dat het een gloedvolle. welgemeende en zeer principiële speech was.
Ook is nog schoolopziener Hommes aan het woord geweest, dat herinner ik me nog zeer goed. Hij wees op de grote gevaren, die het bestuur niet had doorzien, toen ze mej. Wildeman tot onderwijzeres benoemden, namelijk dit, dat het onderwijs hierdoor erg benadeeld kon worden, als de beide jonggehuwden zo dicht bij elkaar werkten, maar hij noemde het een zeer gelukkige omstandigheid, dat er geen enkele mogelijkheid was, zo zei hij, om door een raampje in eens anders lokaliteit te gluren, anders was het geval ook schier hopeloos geweest. Het bestuur kon toen enigszins gerust zijn. Ik voor mij geloof, dat zulks gevaren zeer denkbeeldig zijn. Maar we gaan verder, anders word ik veel te saai. (...)
Ik herinner mij nog als de dag van gisteren, hoe wijs men hier in Woldendorp wel was met de intrede van onderwijzend personeel, het was namelijk de eerste zondag, dat ze in de kerk kwamen, hoe dat geschiedde in plechtige optocht. De kerkeraad ging voor, het jonge paar volgde en zo ging het naar de zitplaatsen, die hen aldus werden aangeboden. Daar mochten ze dus zitten, de plechtigheid was ten einde. Och, het ging immers alles zo gemoedelijk en welgemeend.
Maar goed, men moest nu uitzien naar bouwterrein. Men heeft toen een tijd lang heel sterk het plan gehad te bouwen op de tuin van onze huidige pastorie, terwijl men dan een stuk grond van T. Bosker er bij kon kopen. Hier waren verschillende bezwaren aan verbonden, dat voelt ieder, een min of meer gevaarlijke plaats bij een bocht, geen speelterrein bijna, geen tuin voor het hoofd der school, enz.
Er is toen ook nog een ander terrein genoemd, een stuk land van Haaijenga te Baamsum, omdat de school evangelisatiepost zou zijn en dus evengoed voor Woldendorp als Termunten zou zijn. Men heeft toen op een ledenvergadering ook eens een hele tijd geboomd over de vraag of de school een dorpsbelang was of niet. Wat kon men zich toen ook al dik maken over een woord, vindt u niet? (...)
Maar goed, bijna besloten om te bouwen naast de pastorie, komt er opeens uitkomst door het aanbod van 5 are grond van P. Smid, oud-hoofd der openbare school voor de som van f. 1500,=. Na enig gehaspel werd dit f. 1000,= en ging men hierop in. Daarmee was men dus klaar met het bouwterrein.
Op 14 januari 1921 vermeldden de notulen, dat de onderwijzeres mej. Wildeman, ontslag vroeg. Dat bracht de school in een moeilijke situatie per 1 januari 1923. Want, ondanks herhaalde oproep kwam er geen enkele sollicitante opdagen. En deze moeilijke toestand had aanstonds tot gevolg, dat de kinderen om de andere week naar school gingen, daar het hoofd nu alle klassen zelf moest waarnemen en niet alle tegelijk kon hebben. Men heeft toen een hele tijd zo voortgesukkeld, een kort ogenblik heeft men nog een kwekeling met acte gehad en daarna een onderwijzeres, die reeds met pensioen was, mej. van der Ploeg uit Appingedam.
Het was omstreeks die tijd, dat ondergetekende na voltooiing van zijn H.B.S. studie, een stoomcursus ging volgen voor onderwijzer te Groningen, voor 5 maanden. Het bestuur kwam met een dringend verzoek tot hem, om een benoeming aan haar school te willen aanvaarden. Het stond er met de school schier hopeloos voor. Ik ben voor die aandrang bezweken en zodoende werd ik op 1 mei 1923 alhier benoemd, daarmee aan onze school.
Wegens het overlijden van mijn vader kwam er een vacature in het bestuur, welke weer gevuld werd door T. Krist in 1925. Het volgende jaar bracht Jac. Bosker in het schoolbestuur wegens bedanken van T. Hommes.
Ik heb tot mijn grote schrik vergeten te spreken over het schoolgebouw. Zoals we weten, is onze school in 1921 gebouwd. Op de oorspronkelijke begroting stond f. 14.000,= voor schoolgebouw, meubelen f. 1.500,=, glas en verf f. 1.500,=. Dit bedrag is ondertussen al wat groter geworden, want de notulen vermelden f. 22.815,= van de gemeente aangevraagd voor schoolgebouw en eerste inrichting. Voor grond en schoolgebouw , enz., moest door het bestuur een waarborgsom worden gestort aan de gemeente. Ds. Both en Lammersma, die de jaarvergadering bezochten, konden mededelen, dat de classis hiervoor borg stond. Ook werd een collecte gehouden in de classis onzer kerken. De notulen vermeldden een opbrengst van vier gemeenten met een som van f. 1.056,44½..
Zo kon dan eindelijk op 3 of 10 october 1921 de school officieel in gebruik genomen worden. Natuurlijk werd er feest gevierd. Als een der punten van de notulen staat vermeld, dat het bestuur besloot, dat er ter gelegenheid van dat feest, een foto zou worden genomen.
Men kwam in 1922 te staan voor het feit, dat er een handwerkonderwijzeres moest benoemd worden. Goede raad was duur, totdat we ook hierin weer uit de verlegenheid geholpen werden. Mej. R. Meijerhof werd bereid gevonden, die functie te aanvaarden. Dit bracht enige financiële moeilijkheden met zich mee, want ze had geen acte en daarom kon haar salaris niet vergoed worden. Het bestuur besloot daarom, haar te helpen voor de studie voor handwerkonderwijzeres en als ik goed ingelicht ben, heeft ze die ook gehaald. En om volledig te zijn, het jaar 1923 bracht ook de benoeming van vrouw Smant als schoolschoonmaakster.
Het instituut kwekeling met acte deed ook aan onze school zijn intrede. Mej. H. Wolthuis werd hiervoor aangenomen op 5 september 1925, die wegens ziekte van mej. Meijerhof ook een tijdlang het handwerkonderwijs heeft waargenomen. In dezelfde functie is er ook nog aan onze school werkzaam geweest haar zuster, mej. A. Wolthuis, die aan onze school practisch opgeleid, later een benoeming ontving als onderwijzeres aan de school te Lauwerszijl. Deze laatste heeft ook een tijdlang het handwerkonderwijs waargenomen, toen mej. Meijerhof wegens ziekte ontslag moest nemen.
Enige keren komt in de notulen voor, dat het bestuur besluit, geen grote schoonmaak te houden en dat wel uit een oogpunt van bezuiniging, natuurlijk, al zijn we hier dan ook in een vergadering van mannen, we kunnen toch moeilijk verwachten, dat ze dit besloten uit oogpunt van hygiëne. Toch is dit een besluit, waarmee men niet al te royaal moet wezen, want al is het waar, dat de grote schoonmaak een plaag is voor het mannelijk geslacht en een lust voor het vrouwelijke en misschien ook waar, dat de mode het nu eenmaal vereist, enige keren, geloof ik, per jaar op schoonmaak-tournee te gaan, toch is het geen overbodige weelde, eenmaal per jaar een grote schoolschoonmaak te houden. En al zal ik, als man, natuurlijk nooit de eer van de geachte broeders, schoolbestuurs-leden, aantasten, toch wil ik u even verklappen, dat het bestuur eens in de schoonmaak-tijd besloot, de muren van de school te schonen door middel van een stofzuiger. Ja, dat is inderdaad nog eens klare wijn en verstandige logica. Jammer genoeg, dat men op de volgende bestuursvergadering tot de conclusie kwam, dat dit geen resultaten zou opleveren. Wie van de broeders tot deze hoogst ernstige conclusie kwam, hoogstwaarschijnlijk in bond met zijn vrouw. Dan maar schonen, zegt het bestuur en aldus geschiedde.